Lentegedichten

De lente komt van ver, ik hoor hem komen

Herman Gorter 
 
De lente komt van ver, ik hoor hem komen
en de boomen hooren, de hooge trilboomen,
en de hooge luchten, de hemelluchten,
de tintellichtluchten, de blauwenwitluchten,
trilluchten.
 
O ik hoor haar komen,
o ik voel haar komen,
en ik ben zoo bang
want dit is het siddrend verlang
wat nu gaat breken -
o de lente komt, ik hoor hem komen,
hoor de luchtgolven breken
rondom rondom mijn hoofd,
ik heb het wel altijd geloofd,
nu is hij gekomen.
 
Uit: Verzen

Beeld: Jan Mankes

Rutger Kopland – Narcissen

We stonden aan de rand van een vijver het was kil en om ons heen dat prille gras met die veel te mooie narcissen

we keken in het water – waarom staan we hier stond ik te denken en ik zag hoe zich een stille voorjaarshemel voor ons uitstrekte

ken je het verhaal, zei ik, dat ergens waar nu een narcis staat een jongen stierf

hij keek in het water en zag iemand iemand die hem aankeek, eindeloos aankeek en ging verlangen naar die ander daar

voelde de diepte van zijn onvervuldheid tot hij daaraan stierf

we keken naar de narcissen om ons heen welke van hen zou het zijn

Uit: Verzamelde gedichten

Beeld: David Hockney

Paul Gellings- Februari

Mijn kalender op een kier gezeten alvast geroken aanonzichtbaar groen.

Mijn oor op het papier gelegden geluisterd naar het lied van ieder jaar.

Begraven in het flets gazonschopt de krokus, wenteltzich de narcis.

Deze dagen niet verscheuren, maar koesteren als een raam met zicht op zilver water.

Avond aan avond nog de stilte van het wachten, de aarde houdt zich in, geen kat schreeuwt

om gezelschap en van takken trilt alleen de schaduw in de maan.

Zo vluchtig deze tijd, een altijd nieuw seizoen, dat ik in huis haal om te vangen.

Uit: De val van verf en roest

Lente

 

Voorzichtig beginnen te spelen
binnen een groenende koelte
de bloemen met name te groeten
en van harte te ontsluiten
aarzelende kamers.
Het brood met elkaar te delen,
de koele beekval te voelen.
En in de avond te wachten
de bevende witte vlinders;
de kamperfoelie gaat open.


Uit: Zeven maal om de aarde te gaan

 
Vasalis 
 
Een witte ochtend, eerste dooi
de lucht wit-grijs, egaal gespreid
en aan de lange horizon
welt nu een witte zon.

Geen wind, beweging of geluid.
Er botten waterdruppels uit;
aan iedre tak en iedre struik
zijn knoppen licht.

Een hartstochtsloze en totale aanwezigheid
maakt zich nu kenbaar en het is
of in een diepe adempauze van de tijd,
dichtbij, een pasgeboren kind
zich stil, volmaakt en ademend bevind

Uit: De Oude Kustlijn

 

Marjoleine de Vos- Zie de Lente

 

Barst plots in de sneeuw de helleborus open
trompettert leven en knalt geel forsythia.
Guur waait de lente weg de stille winter
dun hoog licht verdrijft behaaglijk vuur.
Ineens moet alles uit zijn grond of tak
in bermen joelen paardebloemen
de kromme wilg rilt in zijn lichte groen.
Daar staan wij ook, naakt en koud met bloesem
in grijzig haar en willen warm en wild
en dat we houden van die schrille kleuren
van elkaar.

 

Uit: Kat van sneeuw

 

Judith Herzberg - Forsythia

Het gillend geel dat over 

aarzelingen heen een keel

opzet en voor het lover uit 

al alles over zomer heeft geschreeuwd! 

Waar is het dungelaagde aquarel

van het voorjaar

dat waas waar wat onzeker

schemert achter trage

wintertakken de schuchterdere tover-hazelaar.

Uit: Doen en laten: een keuze uit de gedichten

 

 

 

 

 

 

 

J.A. Dér Mouw -Tulpen
Bloedplassen, trots het zonlicht levend rood,
Zag ‘k wijd vervloeien tot de horizont;
Uit lang gespleten, geel ett’rende wond
Walmde wee-zoete reuk, als van de dood;

En ‘t leek, alsof een bloedstraal opwaarts spoot,
En onbeweeglijk hing boven de grond:
De droppels sidderden, helrood en rond,
Gestold tot blad’ren aan de beukeloot.

De zon ging onder. Schuwe schem’ring sloop
Over de landen; en aarzelend kroop
Door mist van bloed, zoekende tor, de maan;

En ‘k voelde mij de enig levende mens
In dode wereld, en ik zag immens
Het spook van de aarde ontzettend voor me staan.

Uit: Brahman I

Beeld: Tulipomania - Margriet Smulders